DIVERSEN

EG 01          h. 27 cm

 

 

MES 01         h. 6 cm

De Gayer-Anderson kat (ca. 600 v. Chr.)

    De Gayer-Anderson kat is vernoemd naar de Britse officier en collectioneur, die bronzen beeld in 1947 aan het British Museum schonk.

   Waarschijnlijk is de kat gevonden in Saqqara of Giza bij een van de dierenbegraafplaatsen, en dateert ze uit de 26-ste Dynastie (664-525 v. Chr.).

   Op het voorhoofd van de kat ligt een keverscarabee, een manifestatie van de god Khepri, en symbool voor de ochtendzon en de wedergeboorte.

   Aan  de collier om haar nek hangt het zilveren Udjat-oog, ook wel horus-oog genoemd, bestaande uit een menselijk oog met wenkbrauw en veren van een valk. Dit oog vormt een krachtig religieus symbool. Het komt voor in verscheidene Egyptische mythen. De belangrijkste daarvan vertelt hoe de god Horus, in een strijd om de Egyptische troon met zijn oom Seth, zijn oog verliest. De wijze maangod Thot herstelt het oog, dat daardoor het symbool wordt voor genezende kracht en geluk.

   Onder het Horus-oog is een keverscarabee met valkenvleugels gegraveerd, met daarboven een met zilver ingelegde zon.

   De opvallende gouden neus- en oorringen  kwamen oorspronkelijk veel voor bij Egyptische kattenbeelden, maar ze zijn slechts zelden teruggevonden.

 

Eye Idol (Mesopotamië, ca. 3000 v. Chr.)

In 1937 ontdekten Engelse archeologen bij de stad Tell Brak in noordoost Syrië de resten van een opmerkelijke tempel. In het pleisterwerk bleken honderden albasten afgodsbeeldjes te zitten. Ze hadden allemaal een hoekig, plat lichaam en een hoofdje met grote ogen. Ze werden “eye idols”genoemd, en de tempel kreeg de bijnaam “eye tempel”.

   Tell Brak was in het vierde en derde millennium v. Chr. een van de belangrijkst steden van Noord Mesopotamië (het tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris). De versterkte stad controleerde de belangrijke handelsroute door de Tigrisvallei, waarlangs metalen uit het noordelijke gelegen Anatolië werden aangevoerd, en waarlangs de karavanen van en naar het Middelandse Zeegebied trokken.

 

DAV 01        h 23 cm

 

 

Leonardo Da Vinci (1452-1519)

    Leonardo da Vinci was het schoolvoorbeeld van het renaissance-ideaal, de uomo universale. Als universele mens beoefende hij vrijwel elke kunst en wetenschap, van schilderkunst tot compositieleer en van filosofie tot scheikunde.

   Leonardo werd in het Toscaanse bergstadje Vinci geboren als buitenechtelijke zoon van een boerenmeisje en een Florentijnse notaris. Hij begon als schildergezel bij Verrocchio en werkte zich op tot onafhankelijk schilder met een eigen studio. Van 1482 tot 1499 werkte hij voor de hertog van Milaan. Door de Franse belegering van Milaan keerde hij noodgedwongen terug naar zijn geboortestreek, waar hij als militair architect en ingenieur in dienst trad bij Cesare Borgia. Vanaf 1506 werkte hij 10 jaar in Milaan en Rome, en de laatste drie jaar van zijn leven was hij in dienst van de Franse koning Francois I.

 De Vitruviusman (ca. 1490)

    Als autodidact had Da Vinci de neiging zijn gebrek aan klassieke scholing te compenseren met een overdaad aan empirische studies. De bekendste daarvan is de Man van Vitruvius, die zo wordt genoemd omdat hij is gebaseerd op een beschrijving van de ideale menselijke proporties door de Romeinse architect Vitruvius (+/- 85-20 v, Chr.).

 

JAP 01         h. 10 cm

 

ANA 01          h. 13 cm

Maneki Neko (Meiji-periode, eind 19-de eeuw)

    De Japanse cultuur kent een lange traditie in het vervaardigen van engi mono, beeldjes die geluk brengen aan de eigenaar. De bekendste daarvan is de maneki neko, letterlijk “de wenkende kat”, die sinds eeuwen klanten lokt bij de ingang van winkeltjes en eetgelegenheden. Ze wenkt op Japanse wijze: de vingers op en neer bewegend met de handpalm naar voren.

   In historische vertellingen komt meerdere malen het verhaal voor dat een belangrijk persoon door een wenkende kat van zijn pad wordt geleid, en daardoor een hinderlaag ontloopt. De kat bleek geluk en wijsheid te brengen.

    Tijdens de Meiji-periode (1868-1912) werd de wenkende kat bijzonder populair doordat de regering de expliciet seksueel getinte talismannen verbood in een poging de samenleving een meer westers aanzien te geven. De maneki neko bleek een charmant alternatief.

    In het ingewikkelde Japanse stelsel van geloof en bijgeloof is de betekenis van de opgeheven linker- of rechterpoot afhankelijk van tijd en plaats. Meestal worden klanten met de linkerpoot gewenkt, en brengt de opgeheven rechterpoot geluk en voorspoed. Soms wordt de linkerpoot ook gereserveerd voor drinkgelegenheden, omdat een borrel met de linkerhand gedronken moet worden.

    Het halsbandje is een gestileerde weergave van de krans van rode bloemen die poezen van rijke families in de Edo-periode (1603-1868) om hun nek droege

 

Tweehoofdig afgodsbeeldje (Anatolië, rond 2000 v. Chr.)

    Het aandoenlijke afgodsbeeldje is gevonden in Kültepe in centraal Anatolië, het enorme schiereiland dat nu het Aziatische deel van Turkije vormt.

   Aan het einde van de vroege bronstijd, rond 2000 v. Chr., werd Anatolië zeer welvarend door zijn strategische ligging tussen Azië en Europa. De bevolking leefde grotendeels al in versterkte nederzettingen. Grote Assyrische handelskaravanen trokken met honderden ezels, beladen met textiel en tin, door het gebied. Ze betaalden er belasting aan de lokale prinsen in ruil voor bescherming en het recht om er handelsposten (karums) te stichten.

   Külptepe is bekend als de vindplaats van het oudste Anatolische schrift. Het is geschreven op kleitabletten, en bestaat uit contracten, rekeningen en opsommingen van voorraden in een Assyrisch dialect.

   Het tweehoofdige afgodsbeeldje stamt uit het begin van deze welvarende periode. Het vertoont grote gelijkenis met latere koperen beeldjes van de Hittites, die centraal Anatolië in de 19-de eeuw v. Chr. veroverden.

 


<< vorige pagina                                        -home-